
Zelfportret met bloemenhoed (1883)
olieverf op doek, 76,5 x 61,5 cm
Collectie Museum voor Schone Kunsten, Oostende
 De bedroefde Pierrot
olieverf op doek, 66 x 84 cm
Collectie Kröller-Müller Museum, Otterloo
 Mijn dode moeder (1915)
olieverf op doek, 75 x 60 cm
Collectie Museum voor Schone Kunsten, Oostende
|
James Ensor
Museum het Paleis Den Haag
t/m 9 mei 1999
Karel van de Woestijne noemde hem 'het enige wandelende standbeeld van Oostende'. De kunstenaar James Ensor was tegen het einde van zijn leven zo bekend, dat hij voortdurend gevraagd werd om mee te doen aan korte films en fotoreportages. En hij was koket genoeg om overal aan mee te doen. Maar hij heeft niet altijd succes gehad bij de gevestigde kunstliefhebbers. Als beginnend kunstenaar op de Oostendse Academie kwam hij er al snel achter dat hij niet in het academisch keurslijf paste.
p de academie is hij al rusteloos op zoek. In plaats van de kunst van het artistieke establishment, vindt hij de zee, "die ik opsnoof met haar bries, inademde met haar parelende nevels, putte uit haar golven, beluisterde in haar stormen". Hij voelt zich meer verwant met de artistieke avant-garde groepen als Les Vingts (Les XX). De groep rond Willy Finch, Guillaume Vogels en -als enige Nederlander- Jan Toorop beheerst vanaf haar oprichting in 1883 de moderne kunstbeweging in België. Maar al snel staat hij ook daar buiten. Terwijl Les XX de richting van het Franse neo-impressionisme opgaat, kiest Ensor weer zijn eigen weg. Zijn stijl wordt luchtiger; hij bewerkt oudere werken zoals zijn zelfportret, dat in 1888 een hoed bijgeschilderd krijgt.
De eigen weg is niet de meest gemakkelijke. In De duivels die me sarren toont Ensor de duivelse kunstkritici die hem zo dwars zitten. Maar na een lange periode van miskenning vindt Ensor toch roem, die tot vandaag de dag duurt. Al tijdens zijn leven behangt koning Leopold hem met een ridderorde. Sinds 1995 staat hij op het briefje van 100 frank en het jaar 1999 is tot 'Ensor-jaar' uitgeroepen. Tentoonstellingen, tableaux vivants, het balletstuk La Gamme d'Amour waar Ensor de muziek voor schreef, vinden dit jaar plaats; bijna allemaal in Oostende, de stad van Ensor. Uit die stad en haar zee haalt hij zijn inspiratie. Zijn moeders familie kwam uit Oostende, een geslacht van handelaars in allerlei prullaria, souvenirs, strandartikelen en curiosa. De wereld waarin hij grootgebracht wordt is er een van maskers en carnaval. Van de "de griezelige zolder" van zijn ouderlijk huis "vol afschuwelijke spinnen, rariteiten, schelpen, planten en dieren uit verre zeeën, fraai porselein, afleggertjes met roest- en bloedrode verfvlekken, rode en witte koralen, apen, schildpadden, gedroogde zeemeerminnen en opgezette Chinezen…". Deze beelden zitten voorgoed in zijn hoofd en komen in verschillende schilderijen weer naar buiten.
De kunstenaar gebruikt verschillende thema’s in zijn werk. In De Gendarmes (1892) toont hij zich sociaal-kritisch. Hij verwijst erin naar een vissersstaking in Oostende. Vooral door de concurrentie van goedkopere Engelse vis kenden de Oostendse vissers armoede. Het kwam tot een opstand toen woedende vissers de Engelse vis van de markten wilden verwijderen en de politie hen in bedwang wilde houden. Er vielen doden en gewonden en naderhand werd de Engelse vis gewoon verkocht als voorheen, alsof er niets gebeurd was. De gendarmes in Ensors schilderij houden de wacht bij twee dode vissers. Onverschillig wrijft een gendarme het bloed van zijn bajonet, terwijl buiten nog op de vissers ingehakt wordt. Een andere gendarme laat aan zijn collega een muntstuk zien dat hij waarschijnlijk van een lijk gepikt heeft. Een non bidt. Zij symboliseert de passieve houding van de Kerk in het conflict. Rechtsboven kijkt een rechter geamuseerd toe.
Een van zijn mooiste schilderijen is Mijn dode moeder (1915). De moeder op haar doodsbed is vaag getekend, zonder lichtinval. Zij valt weg in de achtergrond, al vertrokken naar andere oorden. De blik wordt volledig gevangen door een hoeveelheid medicijnflesjes, die met veel liefde en lichtspiegeling geschilderd zijn. De dood is in veel van Ensors werk aanwezig. Biljartende geraamtes, Geraamtes willen zich warmen (een groepsportret van geraamtes bij een kachel), De dood achtervolgt de mensenkudde; de dood is voor Ensor tegelijkertijd een object voor obsessie en voor gekkigheid.
Het is jammer dat de thema's in het oeuvre van de Belg nergens in het museum benoemd worden. Op geen enkele plaats staat meer informatie over de schilder. Je blijft rondlopen met vragen die nergens beantwoord worden. Waarom was Ensor zo geobsedeerd door de dood? Of; wat bedoelde hij toch met in pasteltinten getekende religieuze werken? Het werk lijkt lukraak opgehangen te zijn, zonder dat het duidelijk wordt hoe Ensor zich ontwikkeld heeft of wat hij met zijn werk bedoeld heeft. Verder heeft de plaats van de tentoonstelling, Museum het Paleis, een groot nadeel: het is van zichzelf te mooi. De wanden van het oude stadspaleis van de Oranjes zijn versierd met muurschilderingen, felgroene lambrizeringen en veel spiegels. De schilderijen vallen daarbij in het niet, met name de priegelige gravures die Ensor in grote getalen maakte. In één zaal is het zelfs zo donker dat het werk amper te zien is. Wie nog niet bekend was met Ensor zal er in deze tentoonstelling moeite mee hebben om hem op waarde te schatten
Jessica van der Hulst
|