 Het boekje bij de tentoonstelling 'Indianen van het Hoge Land' in het Kindermuseum in Amsterdam.
 'Achter de muren van leem klinkt een fluitmelodie. Bij elke fluit hoort een andere fluit. Net als twee broertjes kunnen ze niet zonder elkaar. Samen weven ze de melodie.'
 De wereld van de mijnwerkers; hier staat het beeld van Tío, heer en meester van de mijn.
|
Indianen van het hoge land tentoonstelling tot 5 maart 2000 in het Kindermuseum van het Tropeninstituut in Amsterdam.
"...mensen noemden mij een indiaan, maar ik wist niet dat ik een indiaan was. In mijn dorp heeft iedereen een naam..."
o'n vierentwintig jaar geleden startte het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) met een volwaardige en aparte afdeling voor kinderen. Een initiatief dat toen uniek was voor een Volkenkundig Museum. 'Gewone' kindermusea waren er met name in Amerika al een tijdje. Verschillende musea beschikten over een educatieve dienst. Ook het kindermuseum van het Tropeninstituut is vanuit die educatieve dienst ontstaan. In de loop der jaren ontwikkelde het zich op een heel eigen wijze en dat resulteerde in een bijna optimale manier van tentoonstellen. In 1997 ontving het dan ook volkomen terecht de Council of Europe Museumprice. Het was de eerste keer dat een kindermuseum deze prijs kreeg. Er dongen zo'n tachtig (gewone) musea naar mee.
Het meest tentoongestelde voorwerp in de Nederlandse musea, het bordje "niet aanraken a.u.b.", zult u er niet zien want het is een 'Hands-On'-museum. De kinderen mogen overal aankomen, aan voelen, aan ruiken, op blazen of er mee dansen.
"De tentoonstellingen gaan uit van een verhaal, we proberen een bepaalde
cultuur neer te zetten." aldus coördinator Arjan Berben van het
KIT-kindermuseum. "We maken geen 'vergelijk'-tentoonstellingen. We proberen
juist dat wij/zij denken te doorbreken, er komen hier tenslotte ook veel
kinderen van niet-Nederlandse afkomst. Wij brengen daarom het soort van
tentoonstellingen waarin kinderen worden meegezogen in een andere cultuur.
Ze maken dan deel uit van die cultuur en mogen zelf beslissen in hoeverre
ze daarin meegaan.
Dankzij deze manier van tentoonstellen is er zo goed als geen sprake van
bijvoorbeeld vandalisme, kinderen voelen het respect voor de dingen waar ze
gewoon aan mogen komen. Dat werkt heel anders dan in een museum waar ze
alleen maar op knopjes mogen drukken om dingen in beweging te zetten, als
die het al doen...
In ons museum komen twee soorten van bezoekers: de scholen en het algemeen
publiek. Vooral met de scholen kunnen we intensief werken: vooraf, tijdens
en na het tentoonstellingbezoek. Het begint twee tot drie maanden vooraf.
Ieder kind krijgt een catalogus toegezonden en de docent ontvangt nog extra
audio-visueel materiaal. Die catalogus ziet er heel anders uit dan een
gewone catalogus, het is een op zichzelf staand boekwerkje. Al lezende komen
de kinderen alvast in stemming."
Hoe goed die catalogi zijn moge blijken uit het feit dat 'Mario houdt van
Olimpia', de catalogus van de huidige tentoonstelling, een Zilveren Griffel
ontving.
Arjan legt uit dat de participatie van kinderen met een goede voorbereiding enorm toeneemt: "Dan beginnen er ineens dertig kindertjes een lied uit Bolivia te brullen alsof ze daar vandaan komen."
Het enthousiasme van de docenten neemt na afloop enorm toe: ze gaan dan bijvoorbeeld een tentoonstelling voor de eigen bibliotheek maken. Er is heel veel naverwerking.
Op woensdagnamiddag, in de weekends en tijdens de vakanties kan in principe iedereen komen, reserveren is evenwel geen overbodige luxe.
De ouders worden afgevoerd, waarna de kinderen ongehinderd aan hun tentoonstelling kunnen beginnen. Een echte Boliviaanse Indiaan komt hun in het nederlands vertellen over zijn land en het beetje dat hij en zijn vrienden daarvan hebben meegebracht naar Amsterdam. Hij vertelt hun dat hij een indiaan is maar dat hij dat vroeger ook niet wist want bij hun in het dorp heten ze gewoon Mario, Olimpia of...
Na een paar minuten gaan de kinderen mee naar het 'Plein van de Ontmoeting', van daaruit gaat het verhaal verder; over de duivelsmaskers en hoe die gemaakt worden, over Moeder Aarde waar alles uit voort komt, over de wind die in de bamboe fluiten blaast. De kinderen leren hoe je op zo'n fluit moet blazen. Op dat moment hebben ze al kleding aan van Boliviaanse kinderen en in die prachtige omgebouwde omgeving zitten ze allang niet meer in Amsterdam.
Straks gaan ze feest vieren op het Plein, waarschijnlijk lopen ze daar toeristen tegen het lijf. Toeristen die net daarvoor een korte instructie hebben gekregen wat er nog gaat gebeuren voordat ze hun kinderen weer mee krijgen.
De tentoonstelling duurt bijna twee uur. Je zou de neiging hebben om te schrijven dat de 'rondeiding' twee uur duurt, maar er is geen presentatie van voorwerpen, er zijn geen vitrines, waar je al of je al of niet met een gids langs kunt wandelen. De 'rondeiding' is de tentoonstelling zelf en het is bijna niet te geloven wat kinderen in die korte tijd meemaken. Het verhaal van de tentoonstelling is dan ook goed opgezet; elk nieuw deel bouwt voort op het vorige, het is het logische vervolg. Daardoor zijn al de nieuwe dingen die ze te zien krijgen al vertrouwd voordat ze gepresenteerd worden.
De voorbereiding voor zo'n tentoonstelling duurt ongeveer twee en half jaar. Er werken negen mensen op het kantoor en voor een tentoonstelling wordt een zestal specialisten aangetrokken. Men gaat steeds op zoek naar mensen die wonen in het land waarover de tentoonstelling gaat, maar die ook nederlands spreken.
In 2000 gaat het kindermuseum een maand of twee dicht, dan wordt de nieuwe tentoonstelling opgebouwd. Voor meer informatie kunt u terecht op de site van het kindermuseum.
Roby Bellemans
 'Het spiegeltje op Olimpia's hoed vangt het beeld op van een mooie jongen in een kleurig jasje. Ze bloost. De linten voor haar gezicht kleuren mee.'
|