DE MUSEUMKR@NT
| |
Kinderarbeid in Bangladesh Aan het einde van de 19de eeuw droomden filosofen vol verwachting van de 'magische eeuw' die komen zou. Utopia zou op aarde komen en er zou een einde gemaakt worden aan 's werelds misère, sociale ongelijkheid en armoede. Aan de vooravond van het nieuwe millennium kunnen we constateren dat onze welvaart al hun verwachtingen overtrof, maar dat het merendeel van de wereldbevolking voorlopig niet uit 19de eeuwse toestanden komt. In Bangladesh vormen armoede en natuurrampen een vicieuze cirkel die ertoe leidt dat kinderen moeten werken om hun familie en zichzelf te onderhouden. De Bengaalse fotograaf Azizur Rahim Peu trok zich hun lot aan.
Als je zelf geen kinderen hebt kan dit verhaal overkomen als het zoveelste zielige verhaal, één dat je als afgestompte TV verslaafde zo vaak gehoord hebt dat je er bijna immuun voor geworden bent. Ook de beelden van werkende kinderen hebben niet de impact die ze zouden moeten hebben. Misschien komt het dat de foto's van Azizur Rahim Peu daarom zo weinig indrukwekkend zijn. Het zijn momentopnames waaraan je netvlies gewend is geraakt om ze langs te zien komen. Peu gebruikt een 28mm groothoeklens en fotografeert vanuit een hoger standpunt, om bewust een vertekening van de werkelijkheid te krijgen, vooral in de weergave van de gezichten. Hij wil hiermee het abnormale benadrukken, om zijn boodschap mee te delen dat een kind in een klaslokaal hoort te zitten, niet vastgeketend aan een weefgetouw. Of badend in een bad van chemicaliën om huiden te reinigen die tot leer verwerkt gaan worden. Hij wil het kind portretteren als symbool voor de gemiste kansen van zijn land. Het gaat om nogal wat: in de steenhouwerijen, batterijfabrieken, textielindustrie, leerlooierijen en aluminiumfabrieken maken kinderen tot 75 procent van de arbeidskrachten uit. De Bengaalse economie draait min of meer op de goedkope kinderarbeid. Het zijn werkplekken waarin zij vaak bloot staan aan gezondheidsrisico's en waar het loon ze nooit boven het bestaansminimum uittilt. De meeste kinderarbeid vindt plaats op het platteland en bij emigranten die van het platteland naar de stad trekken. Natuurrampen die een opgebouwd bestaan wegvegen, alleenstaande moeders die moeten overleven en familieleden die wezen uitbuiten, maar ook het gevoel als arm kind op een school niet welkom te zijn, maken dat veel Bengaalse kinderen een klaslokaal nooit van binnen zien. Het Internationale Plan voor de Afschaffing van Kinderarbeid, waarin de Bengaalse regering zich verplicht heeft om tegen het jaar 2000 een einde te maken aan de gevaarlijke kinderarbeid en tegen 2010 aan alle kinderarbeid in het land, lijkt een tikje ambitieus. Aan het einde van de 19de eeuw stelde Emile Zola de ellende en kinderarbeid in de mijnen aan de kaak in zijn roman Germinal. Ook hij vertekende de werkelijkheid en verpakte het in een gedramatiseerd jasje. Het effect was alleen zo veel schrijnender, zoveel indrukwekkender dan dat van Peu's foto's. De foto's maken hun beloften om gemiste kansen te symboliseren niet waar. Alleen de geraffineerde schoonheid ervan is al misleidend. Peu schenkt zoveel aandacht aan de compositie van beelden en kleuren, dat zijn werk meer esthetische bewondering oproept dan medelijden. Maar ook Zola deed aan mooischrijven en dat versterkte zijn boodschap alleen maar. Beide kunstenaars tonen hun onderwerp als onderdeel van de situatie waar zij in zitten, als naturalistische objecten, overgeleverd aan een lot dat zij niet overzien en niet kunnen veranderen. Maar terwijl bij Zola altijd een personage opduikt die de vanzelfsprekendheid van hun misère ondermijnt en mensen bewust maakt van de onrechtvaardigheid van hun situatie, blijft de confrontatie in Peu's foto's achterwege. Ondanks het onderwerp van zijn foto's en zijn pogingen om daarin het abnormale naar voren te halen, hebben ze niets verontrustends. Het beeld dat hij oproept is niet sterk genoeg om het postmoderne, cynische "Is het dan niet normaal dat in die cultuur kinderen werken?" omver te gooien en geeft geen schaamrood op de kaken van veel Westerse bedrijven, die met hun "Do in Rome as the Romans do" hun verantwoordelijkheid in Derde Wereld landen ontlopen. Pas bij het bekijken van de tweede opstelling van de tentoonstelling, de video van de documentaire van Maarten Schmidt en Thomas Doebele over een onderwijsproject voor werkende kinderen, komen er scheuren in de dikke laag onverschilligheid. Als de kinderen met een vlak stemmetje de meest verschrikkelijke verhalen vertellen dringt pas door wat voor een leven zij moeten leiden. Schmidt en Doebele, en ook Zola, geven de kinderen een stem, een identiteit, waarmee je je kan vereenzelvigen. Portretfoto's kunnen dat ook door de persoonlijkheid van degene die op de foto staat naar voren te halen. Peu heeft echter teveel willen doen: empathie opwekken, de kinderen in hun werksituatie laten zien en dat ook nog op een te mooie en te verfijnde manier. Hij is daarmee aan zijn doel voorbijgegaan. Een gemiste kans, als je het mij vraagt. Jessica van der Hulst De tentoonstellingsagenda van het Koninklijk Instituut voor de Tropen |
| - 8 - |