In de Indonesië special van de Museumkr@nt komen Azië-specialisten aan het woord die hun licht laten schijnen over de invloed van de kunst in de omwentelingen in Indonesië. Zo vroeg de Museumkrant redactie Dr. Wagenaar van het Amsterdams Historisch Museum hoe de Indonesiërs in de loop van de eeuwen Kunst gebruikt hebben in hun politieke strijd tegenover een buitenlandse overheerser of een binnenlandse politiek regime. Werd deze kunst bijvoorbeeld gebruikt om de eigen traditionele cultuur te herbevestigen? Dr. Wagenaar schreef een bijzonder informerend stuk dat een goede indruk geeft van de rol van kunst, architectuur en geschiedenis in het proces van reformasi.
en visie van Dr. L.J. Wagenaar.
In Amsterdam woedt al jaren een strijd om de toekomst van het Van
Heutz-monument. Het aardige van het verhaal is, dat het monument destijds,
in de jaren dertig, ook al omstreden was, niet onbegrijpelijk in links
Amsterdam. De communistische kunstenaar, Frits van Hall, zou destijds
hebben voorzien dat de tijden zouden kunnen veranderen, en zou gezegd
hebben dat het monument makkelijk aangepast zou kunnen worden aan nieuwe
tijden. De NRC wijdde enige weken geleden hieraan een interessant artikel.
Inderdaad, een rood kruis door de naam Van Heutz, en een fel gekleurde
tekst 'Merdeka', eventueel met het jaartal 2000, zou een eigentijdse
statement toevoegen, zonder de omstreden geschiedenis van het monument
geweld aan te doen.
Hoe het precies verder zal gaan met het monument is niet duidelijk, de
ruzies zijn nog niet beslecht, politiek correcte standpunten buitelen over
elkaar heen.

Hoe anders is dat in menig opzicht in het land van de Reformasi, de
voormalige kolonie 'Nederlandsch Oost-Indië'. De oude garde van het
Nationale leger was begrijpelijk genoeg na de bevrijdingsstrijd van na
de oorlog, fel anti-Nederlands. Alles wat met de Nederlandse bezetting te
maken had, om de aanwezigheid vanaf de 16de eeuw voor het gemak en vanuit
hun perspectief zo maar te noemen, werd in deze afwijzing en kritiek
betrokken. Daarbij deed zich nog een ander verschijnsel voor, die ik
historische teleskopie zou willen noemen, een verschijnsel waarbij de
afstand zo wordt ingekort dat het verre verleden dichterbij komt en
daardoor 'moderner' wordt. In Indonesië had dit effect tot gevolg dat het
VOC-verleden vast kwam te zitten aan de negentiende-eeuwse verschijnselen,
zo zelfs dat Van Heutz en het agressieve Nederlandse beleid sinds de jaren
1870 haast vereenzelvigd werd met het optreden van de Verenigde
Oost-Indische Compagnie, waarvan de 'zwarte bladzijde' van Coen op Banda,
1621 natuurlijk heel bekend is gebleven, maar desalniettemin heeft die
'gelijkschakeling' tot een tamelijke vertroebeling geleid.
Nog voor de 'Reformasi' was er in Indonesië een groeiende aandacht voor het
verleden van de vroeg-koloniale periode, ook wel VOC-tijd genoemd. Dat heb
ik aan de lijve gemerkt bij de herinrichting van het Maritiem Museum Bahari
in Jakarta, van 1993-1995. Met studenten van diverse universiteiten werkte
ik daar aan een nieuwe opstelling van het museum dat interessant genoeg
gevestigd is in de oude Westzijdse Pakhuizen in de oude 'Benedenstad',
vlakbij de Passer Ikan. Een initiatief al uit de jaren zeventig van de
toenmalige gouverneur van Jakarta, Ali Sadikin. Sommigen van hen zag ik
later terug, met zo'n driehonderd generatiegenoten, toen ik een lezing gaf
aan de Trisakti Universiteit. Het zijn deze studenten die geschiedenis
hebben gemaakt met hun studentenprotest, het begin van de strijd tegen
Suharto, en het begin van de 'Reformasi'.
Wat me overigens opviel, en nog steeds opvalt, is hoe weinig mensen
eigenlijk weten van dat koloniale verleden, en van de feitelijke gang van
zaken tijdens de 'Hollandse' aanwezigheid. Juist de laatste 50-70 jaar zijn
ingrijpend geweest, de aaneensmeding van het eilandenrijk, spoorwegaanleg,
onderwijs, bestuur, de vergaande doordringing van de staat in de
samenleving. Hiervan is nog steeds veel over in het huidige bestel, niets is
zo taai als infrastructuur, wetgeving, etc. Hoe ver de staat ook zich met
vele aspecten van het dagelijkse leven mag hebben bemoeid - ik denk
bijvoorbeeld aan de gedwongen sloop van huizen in het district Malang,
omstreeks 1911-1912, om door het herbouwen in steen met pannen daken te
voorkomen dat ratten zich zouden nestelen, en via dat ongedierte met pest
besmette vlooien de gevreesde epidemie zouden doen voortduren - het direct
contact met Nederlanders was spaarzaam. Zo was het in de 17de en 18de eeuw,
zo bleef het een eeuw later. Uitzonderingen waren Batavia (Jakarta) en
andere grote nederzettingen, maar juist in die steden woonden geen boeren,
de meerderheid van de Indonesische samenleving. In de kustplaatsen, de
interface tussen de binnenlandse economie en andere insulaire en van
overzeese markten, woonde een gemengde bevolking van Europeanen,
Indo-europeanen, Chinezen, en diverse kustbewoners van Java en andere
eilanden. Er ontstond iets van een gemengde cultuur. De Nederlandse taalschat
werd overgenomen als de eigen taal geen begrippen had voor nieuwe,
technische verschijnselen. In Jakarta spreek je nog steeds van de typische
Betawi sub-cultuur, onder andere geprononceerd te herkennen in de muziek.
Maar buiten de grote plaatsen was de invloed van de Nederlanders miniem, en
op de plaatselijke, inheemse kunstuitingen hebben de Europeanen geen
invloed gehad. Als je naar, bijvoorbeeld, Javaanse kunstuitingen kijkt, dan
lijkt het of de Nederlanders nooit aanwezig geweest zijn. Of je moet naar
achttiende-eeuwse kratons gaan kijken, dan zie je opeens hele serie
Nederlandse tegels verwerkt. En zeker, er zijn gebouwen uit de Nederlandse
tijd, kerken, forten, pakhuizen. Bestudeer je het stadhuis in Kota,
Jakarta, begin achttiende eeuw gebouwd, dan lijken Nederlandse invloeden en
Chinese invloeden te strijden om de eer van de grootste invloed, Java is
daarin cultureel vrijwel afwezig.
In de twintigste-eeuwse Indonesische schilderkunst is wel degelijk sprake
van Europese modes. Daarover is veel geschreven, schilderijen uit die
scholen maken tegenwoordig ook aardige prijzen op de veiling. Het is echter
de vraag hoe zeer we deze invloed Nederlands moeten noemen. Dezelfde vraag
kan men overigens ook stellen bij de vele voorbeelden van moderne
Nederlandse architectuur, in Bandung, in Batavia/Jakarta, en elders. Ook
hier is vaak sprake van Europese stromingen, al zijn het wel vaak
Nederlanders die deze hebben geïntroduceerd.
Opvallend is dat aan het tijdvak van Reformasi een lange periode
voorafgegaan is, in de Suharto-tijd dus, van opslokken van internationale
invloeden, op alle gebieden. We spreken vaak van globalisering, in
Indonesië is het effect goed te zien. MacDonald, KFC, mobiele telefoons,
tot vervelens toe, auto's, auto's, auto's, hoge bouwerken, al zit er soms
dwaas een Aziatisch puntje op, spijkerbroeken, de lijst kan naar believen
verlengd worden. Daartegen gaat de Reformasi niet te keer, al zou het me
niet verbazen als een neo-nationalisme gevolgen zou hebben voor het
openbare leven en van de beeldcultuur. Van de Islam is op dit gebied weinig
te verwachten, een groot deel van de Javaans-Indonesische beeldcultuur
bijvoorbeeld, is geënt op het Hindoe-Boeddhistische verleden. Garuda is
daar een bekend voorbeeld van. Lokale bouwtradities, zoals nog steeds zo
sterk aanwezig in het Javaanse platteland en op de vele eilanden, lijken
meer succes te hebben de moderne architectuur te veroveren. In hoeverre de
politieke Reformasi ook een herbezinning op oude en eigen culturele
tradities tot gevolg zal hebben, en daarmee een anti-Westerse snit zou
kunnen krijgen, is moeilijk te beantwoorden. De kans lijkt groot dat
Indonesië, zoals dat elders ook het geval is, nog sterker deel zal gaan
uitmaken van het dorp dat onze wereld inmiddels aan het worden is.
6/7/2000